Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn (ROSR)
Hoofdstuk 12 - Verblijven
Artikel 12.01 – Algemene bepalingen
Wijz. No. 45 – 1996
1. Schepen moeten voor de gewoonlijk aan boord verblijvende personen, althans ten minste voor de minimum bemanning, voorzien zijn van verblijven.
2. Verblijven moeten zodanig zijn gebouwd, ingericht en uitgerust dat zij voldoen aan de eisen met betrekking tot de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de personen aan boord. Zij moeten gemakkelijk en veilig toegankelijk zijn, alsmede voldoende geïsoleerd zijn tegen kou en warmte.
3. De Commissie van Deskundigen kan afwijkingen van dit hoofdstuk toestaan indien de veiligheid en gezondheid van de personen aan boord op andere wijze zijn gewaarborgd.
4. De Commissie van Deskundigen vermeldt in het certificaat van onderzoek beperkingen van de exploitatiewijze of van de soort bedrijfsvoering van het schip die zijn vereist op grond van afwijkingen als bedoeld in het derde lid.
 | |  |
 |
Wijziging - Toelichting
De bestaande voorschriften van het ROSR (art. 3.06) werden uitgebreid herzien en aangevuld, wederom uitgaande van de eisen van de technische EG richtlijn (82/714/EEG). Aldus komt de nieuwe regeling tevens in sterke mate overeen met die van het Binnenschepenbesluit.
Artikel 12.01
In de nieuwe regeling is het aantal van de normaal aan boord verblijvende personen maatgevend voor de grootte van het verblijf. Dit aantal moet tenminste overeenkomen met het aantal bemanningsleden dat volgens de bemanningsvoorschriften geldt voor de toegelaten exploitatiewijze en voor de grootte van het betreffende schip of samenstel. De Commissie van Deskundigen kan, gezien de omstandigheden van ieder individueel geval, afwijkingen van de algemene regels toelaten. De in dit hoofdstuk vervatte basis-eisen aan veiligheid en gezondheid van de personen aan boord moet dan echter op een andere wijze veilig zijn gesteld.. In dat geval schrijft het vierde lid voor dat aantekeningen hieromtrent in het certificaat van onderzoek, zo nodig vergezeld van bijlagen, dienen te worden opgenomen. | |
 |
 | |  |
Artikel 12.02 – Bijzondere bouwkundige eisen aan de verblijven
Wijz. No. 45 – 1996
1. Verblijven moeten, ook wanneer de deuren gesloten zijn, voldoende kunnen worden geventileerd; bovendien moeten de woonruimten voldoende daglicht verkrijgen en zo mogelijk uitzicht naar buiten hebben.
2. Verblijven moeten, indien zij niet op dekhoogte toegankelijk zijn en het hoogteverschil meer dan 0,30 m bedraagt, via trappen toegankelijk zijn.
3. In het voorschip mogen de vloeren niet lager dan 1,20 m onder het vlak van de grootste inzinking liggen.
4. Woon- en slaapruimten moeten ten minste twee zover mogelijk van elkaar verwijderde uitgangen hebben, die als vluchtwegen dienen. Eén uitgang kan als nooduitgang zijn geconstrueerd. Dit geldt niet voor ruimten waarvan de uitgang rechtstreeks naar het dek leidt of naar een gang die als vluchtweg dient, voor zover deze gang twee van elkaar liggende uitgangen heeft naar bak- en stuurboord. Nooduitgangen, waartoe ook bovenlichten en ramen behoren, moeten een vrije opening van ten minste 0,36 m2 hebben, een kleinste zijde van ten minste 0,50 m hebben en een snelle evacuatie in geval van nood mogelijk maken. De isolering en de bekleding van oppervlakken van de vluchtwegen moeten van moeilijk ontvlambaar materiaal zijn gemaakt en het gebruik van de vluchtwegen moet door adequate maatregelen zoals ladders of klimtreden te allen tijde zijn gewaarborgd.
5. Verblijven moeten zijn beschermd tegen ontoelaatbare geluidshinder en trillingen. De ten hoogste toegelaten niveaus van de geluidsdruk zijn:
a. in woonruimten: 70 dB(A)
b. in slaapruimten: 60 dB(A), dit geldt echter niet op schepen waarvoor uitsluitend exploitatiewijze A1 geldt. De beperking wat betreft de exploitatiewijze dient in het certificaat van onderzoek te worden vermeld.
6. In verblijven mag de stahoogte niet minder zijn dan 2,00 m.
7. In de regel moeten schepen ten minste één van de slaapruimte afgescheiden woonruimte hebben.
8. In de woonruimten mag het vrije vloeroppervlak niet minder zijn dan 2 m² per persoon, maar dit moet in totaal ten minste 8 m² zijn. De oppervlakte bezet met verplaatsbaar meubilair, zoals tafels en stoelen, maakt deel uit van de vrije oppervlakte.
9. Elke woon- of slaapruimte moet een inhoud van ten minste 7,00 m³ hebben.
10. In woonruimten bedraagt het minimale luchtvolume 3,50 m³ per persoon. In slaapruimten moet het luchtvolume voor de eerste persoon ten minste 5 m³ bedragen, voor iedere verdere persoon moet nog eens ten minste 3,00 m³ aanwezig zijn, (het volume van het meubilair dient daarvan te worden afgetrokken). Slaapruimten mogen slechts voor ten hoogste twee personen bestemd zijn. De bedden moeten ten minste 0,30 m boven de vloer zijn aangebracht. Indien het stapelbedden betreft, moet boven elk bed een vrije ruimte van ten minste 0,60 m hoogte aanwezig zijn.
11. Deuren moeten een opening hebben waarvan de bovenkant ten minste 1,90 m boven het dek of de vloer ligt en zij moeten een vrije breedte van ten minste 0,60 m hebben. De voorgeschreven hoogte mag door het aanbrengen van schuifkappen of luiken worden bereikt. Deuren moeten van beide kanten naar buiten kunnen worden geopend. Deurdrempels mogen ten hoogste 0,40 m hoog zijn. Bovendien moeten andere veiligheidsvoorschriften worden nageleefd.
12. Trappen moeten vast aangebracht en veilig begaanbaar zijn.
Dit is het geval wanneer:
a. zij ten minste 0,60 m breed zijn;
b. de treden ten minste 0,15 m diep zijn;
c. de treden een antisliplaag hebben en;
d. trappen met meer dan drie treden zijn voorzien van ten minste een handgreep of leuning.
13. Leidingen voor gevaarlijke gassen en gevaarlijke vloeistoffen, in het bijzonder als ze onder een zodanig hoge druk staan dat een lek personen in gevaar zou kunnen brengen, mogen niet zijn aangelegd in de verblijven en in de daarheen leidende gangen. Dit geldt niet voor leidingen voor stoomsystemen en hydraulische systemen die zijn ondergebracht in een metalen beschermkoker en voor vast aangelegde leidingen van vloeibaargasinstallaties voor huishoudelijk gebruik.
 | |  |
 |
Wijziging - Toelichting
Artikel 12.02
In het vierde lid van dit artikel zijn voorschriften m.b.t. uitgangen, nooduitgangen en vluchtwegen opgenomen. De eisen aan vluchtwegen komen vrijwel overeen met die voor passagiersschepen. Hierbij is echter ingecalculeerd dat het in dit geval gaat om verblijven van normaal aan boord wonende personen, in de regel derhalve bemanningsleden die een relevante kennis van zaken hebben.
Voor het vaststellen of de ten hoogste toegelaten niveaus van geluidsdruk in acht zijn genomen dient rekening te worden gehouden met de richtlijn aan de Commissies van Deskundigen nr. 5. | |
 |
 | |  |
Artikel 12.03 – Sanitaire voorzieningen
Wijz. No. 74 – 2003
1. Schepen met verblijven moeten ten minste over de volgende sanitaire voorzieningen beschikken:
a. een toilet per wooneenheid of per zes bemanningsleden. Dit toilet moet van frisse lucht kunnen worden voorzien;
b. een wasbak met afvoer en met drinkwateraansluiting voor koud en warm water per wooneenheid of per vier bemanningleden;
c. een douche of badkuip met drinkwateraansluiting voor koud en warm water per wooneenheid of per zes bemanningsleden.
2. Sanitaire voorzieningen moeten zich in de directe nabijheid van de woonruimten bevinden. Toiletten mogen geen rechtstreekse verbinding hebben met de keukens, eetruimten of woonkeukens.
3. Toiletruimten moeten een grondoppervlak van ten minste 1,00 m² hebben. Daarbij moet de breedte ten minste 0,75 m en de lengte ten minste 1,10 m bedragen. Toiletruimten in hutten voor maximaal 2 personen mogen kleiner zijn. Indien zich een wasgelegenheid en/of douche in de toiletruimte bevindt, moet het grondoppervlak met ten minste het oppervlak van de wasbak en/of de douchebak (of eventueel van de badkuip) zijn vergroot.
Artikel 12.04 – Keukens
Wijz. No. 74 – 2003
1. Keukens mogen gecombineerd zijn met woonruimten.
2. Keukens moeten uitgerust zijn met:
a. Kookgerei;
b. spoelbak met afvoer;
c. installatie voor de drinkwatervoorziening;
d. koelkast;
e. voldoende berg-, werk- en voorraadruimte.
3. Eetruimten in woonkeukens moeten voldoende zijn voor het aantal bemanningsleden dat deze ruimten gewoonlijk gelijktijdig gebruikt. De breedte van de zitplaatsen mag niet minder dan 0,60 m bedragen.
Artikel 12.05 – Drinkwaterinstallaties
Wijz. No. 74 – 2003
1. Schepen waarop zich verblijven bevinden moeten van een drinkwaterinstallatie zijn voorzien. Op de vulopeningen van de drinkwatertanks en de drinkwaterslangen dient te zijn vermeld dat zij uitsluitend voor drinkwater zijn bestemd. Vulaansluitingen voor drinkwater moeten boven het dek zijn aangebracht.
2. Drinkwaterinstallaties moeten:
a. van binnen uit corrosiebestendig en fysiologisch ongevaarlijk materiaal bestaan;
b. zijn samengesteld zonder leidinggedeelten waarin een regelmatige doorstroming niet is gegarandeerd, en
c. tegen overmatige verhitting zijn beschermd.
3. Drinkwatertanks moeten bovendien;
a. een capaciteit hebben van ten minste 150 L per gewoonlijk aan boord verblijvende persoon, maar ten minste per bemanningslid;
b. een adequaat afsluitbare opening hebben voor het schoonmaken van de binnenkant;
c. een inrichting voor het aanwijzen van de inhoud hebben; en
d. aansluitingen hebben voor beluchten en ontluchten, die afvoeren in de open lucht of die van adequate filters zijn voorzien.
4. Drinkwatertanks mogen geen wanden gemeen hebben met andere tank.
Drinkwaterleidingen mogen niet door tanks lopen die andere vloeistoffen bevatten.
Verbindingen tussen het drinkwatersysteem en andere pijpleidingen zijn niet toegestaan. Pijpleidingen voor gas of andere vloeistoffen dan drinkwater mogen niet door drinkwatertanks lopen.
5. Drukvaten voor drinkwater mogen slechts met niet verontreinigde perslucht worden bediend. Indien de perslucht afkomstig is van compressoren, moeten vlak vóór de drukvaten voor drinkwater geschikte luchtfilters en olieafscheiders zijn aangebracht, tenzij het drinkwater door een membraam van de perslucht is gescheiden.
Artikel 12.06 – Verwarming en ventilatie
Wijz. No. 74 – 2003
1. Verblijven moeten overeenkomstig hun doel kunnen worden verwarmd. De verwarmingen moeten berekend zijn op de heersende weersomstandigheden.
2. Woon- en slaapruimten moeten – ook bij gesloten deuren – voldoende kunnen worden geventileerd. De toevoer en afvoer van lucht moeten onder alle klimatologische omstandigheden voldoende luchtcirculatie mogelijk maken.
3. Verblijven moeten zodanig zijn ingericht en uitgevoerd dat voor zover mogelijk wordt voorkomen dat verontreinigde lucht uit andere afdelingen van het schip, zoals machinekamers of laadruimten, binnendringt; bij geforceerde ventilatie dienen de inlaatopeningen zodanig te worden aangebracht dat ze aan bovengenoemde eisen voldoen.
Artikel 12.07 – Overige bepalingen inzake de inrichting van de verblijven
Wijz. No. 74 – 2003
1. Ieder aan boord verblijvend bemanningslid moet over een eigen bed en een eigen afsluitbare klerenkast beschikken. Het bed moet ten minste een binnenmaat van 2,00 x 0,90 m hebben.
2. Buiten de slaapruimten dient te zijn voorzien in adequate gelegenheden voor het bewaren en drogen van werkkleding.
3. Alle ruimten moeten elektrisch kunnen worden verlicht. Extra lampen voor gasvormige of vloeibare brandstoffen zijn slechts in woonruimten toegestaan. Verlichtingsvoorzieningen met vloeibare brandstof moeten van metaal zijn vervaardigd en mogen slechts op brandstoffen werken waarvan het vlampunt boven 55 °C ligt of op handelspetroleum. Ze moeten zodanig zijn opgesteld of aangebracht dat er geen brandgevaar bestaat. |